De Geestbewaarder

korte inhoud

recensie

fragmenten

foto's

 

 

 

 

 

'De Geestbewaarder' is een roman die op historische gebeurtenissen is gebaseerd.

Het boek speelt zich af in West Afrika en Suriname, en confronteert de lezer met een aantal schokkende feiten over de slavenhandel. De Geestbewaarder vervlecht twee persoonlijke verhalen.

Caspar, de jonge stuurman van een achttiende eeuws Zeeuws slavenschip, stroopt de Afrikaanse kusten af om rijk te worden aan de handel in slaven en zo het meisje van zijn dromen te kunnen trouwen. We zijn getuige van de wrede toestanden in de West Afrikaanse koninkrijkjes die van de slavenhandel leefden, en van de onmenselijke praktijken van de blanke slavenhalers. Caspar belandt in de Province of Freedom, de eerste kolonie van bevrijde Amerikaanse slaven die in Afrika werd gesticht. Een ontluisterende mislukking, omdat de kolonisten uiteindelijk zelf hun toevlucht tot de slavenhandel namen om te kunnen overleven.

In het heden volgen we de speurtocht van de Surinaamse Stanley, een Amsterdamse marktkoopman die van een oude vrouw in Suriname de opdracht krijgt om contact te leggen met de geesten van zijn voorouders. Hij trekt naar Afrika om te zoeken naar sporen van zijn stammoeder. In de oerwouden van Ghana raadpleegt hij het orakel van een fetisj tempel, en in het door oorlog verscheurde Sierra Leone wordt hij ingewijd in het geheime genootschap van de Temne stam. Zijn huwelijk dreigt ondertussen op de klippen te lopen, maar hij vindt geen rust, tot hij de waarheid weet.

Wat deze twee mannen met elkaar gemeen hebben, wordt pas op het einde van De Geestbewaarder duidelijk. Dit boek is niet alleen een overdenking over de erfenis van de slavernij en de identiteit van blank en zwart, maar ook een avontuurlijk verhaal over twee mensen die op zoek zijn naar zichzelf, en een reisboek dat een goed beeld geeft van de hedendaagse realiteit in Suriname en West Afrika.

 

 

 

 

RECENSIE

CARIBISCHE REDACTIE WERELDOMROEP 01-09-2007

Tanja Fraai in gesprek met Ton van der Lee

Enkele zinnen uit het nummer Redemption Song zijn het motto van het boek De Geestbewaarder. Het boek gaat over slavernij en dan vooral de 'mental slavery', dus de geestelijke slavernij, waar Bob Marley over zingt.

Redemption Song: 'Emancipate yourselves from mental slavery; None but ourselves can free our minds.' (Bob Marley)

De auteur, Ton van der Lee, beschrijft door de ogen van de Surinaamse Stanley een zoektocht naar de roots. Die tocht begint in een eengezinswoning in Amsterdam-Noord en eindigt via Suriname in Sierra Leone. De Surinamer Stanley woont in Amsterdam en is nog nooit in Suriname geweest. Bij zijn eerste bezoek raakt hij in de ban van het land. Tegelijkertijd realiseert hij zich dat hij er niet echt thuishoort. Ton van der Lee beschrijft hoe Stanley zich voelt op zijn eerste avond in Suriname: "Hij is tussen twee werelden terecht gekomen, geen Nederlander meer, maar ook geen Surinamer." Tot Stanley's schrik wordt hij door een tante tot geestbewaarder gebombardeerd. Een geestbewaarder is iemand die namens de familie het contact onderhoudt met de voorouders. Dit kan op verschillende manieren: via winti of een trance. Stanley voelt dat hij de opdracht heeft om zijn voorouders te zoeken in Afrika. Hij reist eerst naar Ghana en daarna naar Sierra Leone om met ze in contact te komen.

De ontknoping van het boek is bijzonder verrassend. Hollandse onverschilligheid_Er loopt een tweede verhaallijn in het boek, die gaat over de Nederlandse Caspar, een jonge stuurman die in de 18e eeuw meereist op een slavenschip. Ton van der Lee: "Ik wilde graag eens een boekje opendoen over hoe ongelooflijk wreed die Hollanders, Engelsen en Portugezen waren tegenover de slaven. Daar hoor je toch weinig over." Van der Lee woont zelf in het Afrikaanse land Mali en verbaast zich erover hoe weinig Nederlanders bezig zijn met dat slavenverleden. Beschamend eigenlijk, vindt hij: "Ik denk dat wij Nederlanders een collectieve schuld hebben. Ik vind het een schande dat er zo weinig over wordt gepraat, het wordt eigenlijk onder het tapijt geschoven. Er zouden herstelbetalingen moeten komen."_

Vanuit Afrika kent Ton van der Lee de Surinaamse en Antilliaanse pelgrims die hun roots komen zoeken. Net zoals de Surinaamse Stanley dat doet, met alle gevolgen van dien. Natuurlijk slaan de Afrikanen daar ook hun slaatje uit en verdienen ze goed aan allerlei hocus-pocus praktijken. Ton reisde zelf naar Ghana en Sierra Leone om de forten te bezoeken van waaruit de slaven in de achttiende eeuw verscheept werden. Louterend Een pijnlijke maar louterende ervaring, denkt hij, voor veel nazaten van slaven: "Veel mensen moeten erg huilen als ze de forten bezoeken. Maar ik denk dat, als je dat gedaan hebt, je veel dichter bij je eigen wortels staat." Ook reisde hij naar Suriname en maakte daar aantekeningen voor zijn boek. De beschrijving van Fort Zeelandia in Paramaribo heeft hij bijvoorbeeld tijdens zijn verblijf in Suriname al opgeschreven. Tot slot, zegt Van der Lee, is De Geestbewaarder ook een soort handleiding om iets te doen met de erfenis van het slavernijverleden: "Als je de mogelijkheid en het geld hebt, ga dan naar Afrika en herbeleef het verleden. Hoe pijnlijk het ook is. Er zijn genoeg Surinamers die dat doen en daar met een heel goed gevoel van terug komen."

De Geestbewaarder, Ton van der Lee. Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2007 (ISBN 978-90-50188-27-2)

Het boek is te bestellen via de boekhandel, bol.com of marktplaats.nl

 

 

 

 

(Casper: 18e eeuw)

De geur van schroeiend mensenvlees is nergens mee te vergelijken. We hadden natuurlijk al vaker slaven gebrandmerkt, maar ik was nog steeds niet gewend aan de weëe walm die er opstijgt als het gloeiende ijzer op hun borst wordt gedrukt. 
Het dorp lag vlak bij de zee. Achter ons dreunde de branding. De wind joeg wolken fijn zand over het brede, witte strand en de toppen van de palmbomen bogen in de bries. Hoewel de zon nog niet hoog stond, was het al heet. Het was zo benauwd, dat ik soms het gevoel had dat ik nauwelijks adem kon halen.
Wij kennen dat niet in Nederland. De heetste dag die ik me kan herinneren was die keer dat we samen in het meertje achter het dorp gingen zwemmen, weet je nog? Zelfs toen was het water nog koel, maar hier is ook de zee lauw, als badwater.
De sloep had ik op het droge laten trekken. Hij werd bewaakt door twee matrozen met musketten. In de verte stampte Het Roode Hert op de hoge deining die we hier zo vaak hebben aan de Goudkust.
Gisteravond, niet lang nadat we geankerd hadden, kwam er een prauw langszij met twee negers. Ze maakten ons met gebaren duidelijk dat ze namens het dorpshoofd kwamen vragen wat voor handelswaar wij bij ons hadden. We zijn hier in het land Commany, waarvan de koning bekendstaat als een lastig heerser met een klein, maar goed geoefend leger. Zonder zijn permissie mogen er geen slaven worden gekocht.
Onze kapitein reageerde dus voorzichtig. Het is gevaarlijk om hier zaken te doen zonder toestemming. Maar toen hij begreep dat het dorpshoofd zeven eersteklas koppen uit eigen bezit aanbood, besloot hij ons er toch op af te sturen. Het is tegenwoordig moeilijk om aan goede slaven te komen, en de ruimen snel te vullen. De Engelsen en de Fransen zijn ons steeds vaker te vlug af.
Het dorp was smerig en rommelig. Tussen de hutten scharrelden varkens, kippen en kale honden vol zweren. Uit het dichte oerwoud dat tot vlak bij de zee kwam stegen dikke dampen op, die zich vermengden met de rook van de kookvuren en de stank van de vis, die de mensen hier het liefst een paar dagen laten rotten voor ze ervan eten.
Ik had Sijmen bij me, de chirurgijn. Je kent hem niet, maar ik denk vast dat je hem aardig zou vinden. Misschien komt hij een keer naar Durgerdam, als we terug zijn, dan kan ik hem aan je voorstellen. Hij is een kleine man met verward zwart haar en vrolijke ogen, die er al een paar reizen op heeft zitten en honderduit praat. Verder twee scheepsjongens om de kist met onze ruilwaar te dragen, en Harmen de onderkuiper, een magere, zwijgzame vent uit Vlissingen die zich aan boord altijd verveelt en elke gelegenheid aangrijpt om aan wal te gaan.
Het dorpshoofd begroette ons, het was een korte, dikke man met uitpuilende ogen in een smerige mantel. De rest van de dorpsbewoners keek ons nieuwsgierig aan, de kleinste kinderen renden huilend weg. Het schijnt dat veel mensen in Afrika denken dat wij duivels zijn. Dat beweert Sijmen, die hier eerder is geweest. Zo zien wij er misschien ook wel uit, met onze rode gezichten en lange haren. Volgens anderen geloven de negers dat zij zelf na hun dood opnieuw zullen worden geboren als blanken, en daaruit leid ik dan weer af dat ze ons als hogere wezens beschouwen. Er zijn hier langs de kust zoveel stammen, landen en godsdiensten, dat ik het allemaal niet uit elkaar kan houden. Om de tien kilometer begint er een ander land. Het vermogen om een groot rijk op te bouwen ontbreekt de mensen hier. Daarvoor maken ze te vaak ruzie, en leven ze teveel bij de dag.
De slaven waren bij elkaar gedreven op het dorpsplein, dat wil zeggen, op een open plek tussen de armzalige rieten hutten, waar de mensen hier in wonen.
Ze stonden opgesteld in de schaduw van een reusachtige boom met dikke wortels en brede bladeren, die ruisten in de zeewind. Het dorpshoofd wees met een kort gebaar op zijn handelswaar.

Het waren er inderdaad zeven, allemaal naakt. Ze waren met leren riemen vastgebonden aan handen en voeten. Twee volwassen mannen, een jongen, en vier vrouwen, van wie er één nog maar een meisje was, en een ander een zuigeling op de arm droeg. Ze keken ons bang aan.

(Stanley: 21ste eeuw)

Midden op de dag komen ze aan in Atjoni. Er staan een paar barakken en een houten kroeg. De chauffeur parkeert in de schaduw van een hoge boom. Als hij de motor afzet, daalt er een drukkende stilte neer. De stilte van het oerwoud, die nog benadrukt wordt door het blikkerige geluid van een radio die ergens in de verte speelt.
Hennah en Stanley stappen als eersten uit. Het is heet en vochtig, en er staat geen zuchtje wind.
Hennah kijkt rond, snuift de lucht diep op en knikt tevreden, terwijl de bijrijder hun koffers van het rek haalt. Beneden, aan de oever van de rivier, liggen tientallen korjalen pal naast elkaar afgemeerd als een school lange, slanke visjes. De zon schittert fel op het brede, donkere water.
‘Hier komen we vandaan, jongen,’ zegt ze. ‘Voel je dat? Ik weet dat ik veel opgeef in Nederland. Mijn vriendinnen vonden het onvoorstelbaar dat ik jullie zomaar achter kon laten. Alleen Marga snapte het. Maar ik moest hier gewoon naartoe. Ik weet dat jullie me vaak zullen komen opzoeken. Toch?’
Stanley knikt geruststellend.
‘Natuurlijk ma. Ik voel het ook. Ik vind het alleen raar dat we niet eerder terug zijn gegaan, al was het maar voor een vakantie. Waarom ben je er nooit over begonnen?’
‘Ik was bang,’ zegt Hennah. ‘Bang dat ik zou willen blijven. Bang dat jij hier ook heen zou willen, dat je problemen zou krijgen met Saskia en met de school van de kinderen. Dat je hier misschien een vrouw zou ontmoeten en ons allemaal in de steek zou laten, net als je vader.’
Stanley lacht.
‘In Mi Lobie zeggen ze dat ik de enige Surinamer zonder buitenvrouw ben. Iedereen loopt uit, zeggen de oude mannetjes, behalve Stanley. Die moet wel heel verliefd zijn.’
Saskia komt nooit in Mi Lobie. De vaste klanten kennen haar alleen van de gezinsfoto die achter de bar in een lijstje staat.
Er komen twee korte, gespierde jongens met hoofddoeken en zwarte, ontblote bovenlijven aanlopen, die iets tegen Stanley zeggen in een taal die hij niet verstaat.
‘Wat?’ vraagt hij, maar de jongens schudden hun hoofd.
Hennah lacht.
‘Nee jongen,’ zegt ze. ‘Hier praat niemand meer Nederlands. Ze kunnen het wel, maar ze willen ze het niet. Hier wordt Saramaccaans gesproken, de taal van onze stam. Ze vroegen waar we heen willen, of we een korjaal nodig hebben.’
‘Onze stam?’ vraagt Stanley.
‘Ja, onze stam,’ zegt Hennah trots. ‘Net als in Afrika. Al vanaf het begin waren er slaven die wegliepen van de plantages. Het oerwoud in, waar de Hollanders niet komen konden. Sommigen wisten te overleven. Dat werden stammen, die niks met de blanken te maken wilden hebben, of met de Creolen van Paramaribo. Zelfs na de afschaffing van de slavernij waren er nog mensen die liever de bossen in trokken om zich bij ons aan te sluiten. Zoals je voorvader Titus Waterman. Daar mag je trots op zijn, jongen. Wij bosnegers zijn de enige echte, de enige vrije Surinamers, en laat niemand je iets anders vertellen.’
Ze begint met de jongens te onderhandelen in een taaltje waar Stanley niets van begrijpt. Ze lacht als een jong meisje, verheft haar stem, gebaart druk. 
Hennah is in korte tijd Surinaamser geworden dan hij ooit had kunnen denken. Het lijkt wel of het dunne laagje Hollandse vernis door de tropische hitte is gebarsten, gaan bladderen, en vervolgens in flinterdunne flarden is weggewaaid op de warme wind uit het oerwoud.
Even later worden hun koffers de oever afgedragen.
De korjaal is een smalle houten boot van een meter of acht lang. Als ze erin stappen, schommelt hij vervaarlijk. Hun koffers worden voorin gelegd, in de spitse punt, naast een vat benzine en twee grote zakken rijst. Een van de jongens start de buitenboordmotor, een reusachtige Yamaha, en de ander gaat helemaal voorin zitten, op de rijstzakken, met een lange bamboestok.
‘Dat is de koelaman,’ wijst Hennah, ‘die weet waar de ondieptes zitten.’
De motor wordt gestart, en ze draaien met een zwaai weg van de oever. De rivier stroomt snel. De korjaal moet tussen witte zandbanken door manoevreren, waar veelkleurige vlinders overheen dwarrelen. 
Hier en daar steken ronde, grijze rotsblokken boven het water uit, als de ruggen van reusachtige, slapende onderwaterdieren.
Het bos staat als een zwijgende, ondoordringbare muur om hen heen. Alles vecht om een plaatsje, om licht en leven.
Stanley ziet vlezige oeverplanten die hun brede bladeren over het water spreiden, bomen met dikke trossen witte bloemen, gele trompetbloemen die uit een wirwar van klimpanten hun weg naar het licht hebben gevonden, en tientallen soorten palmen die hun waaiers tegen de verdrukking in tussen de rest van het groen proberen te ontvouwen.
Boven alles uit rijzen de kruinen van de kankantri’s, de eeuwenoude koningen van het bos, die hun bladerdak op tientallen meters hoogte triomfantelijk boven het oerwoud uitspreiden in het licht van de volle zon.
‘Kijk,’ zegt Hennah met een glimlach van herkenning, en wijst op een paar grote rode bloemen. ‘Paloeloe’s. Die verzamelde ik altijd voor mijn moeder.’
De boot vaart hard. De koele bries droogt het zweet op Stanleys voorhoofd. Hij raakt niet uitgekeken op het bos, dat zo mooi is, maar hem tegelijkertijd ook beangstigt. In Nederland is alles onder controle. Daar is alles door mensenhanden gemaakt, maar hier heerst de chaos, hier betekent een mens helemaal niets.

 

 

 

 

Voor de research van het boek reide ik naar Suriname, Ghana en Sierra Leone. Hieronder zie je foto's van die reis.

 

Het kasteel van Cape Coast (Ghana), de belangrijkste slavenpost van de Engelsen

traditioneel altaar in de slavenkerker van Cape Coast Castle

de slavenkerker van Elmina Castle, belangrijkste slavenkasteel van de Hollanders

Elmina Castle

de 'door of no return' waardoor de slaven vanuit Elmina Castle in de schepen werden gedreven

met de moederpriesteres van de tempel in Ghana

priester bij ritueel in Ghana

gezicht op Freetown, Sierre Leone

River nr. 2 beach, Sierra Leone, waar Casper strandde en Stanley zijn hotel bouwde